3 apr 2015

alleen zijn

Ik ben alleen en ik vind het niet erg. Dat is toch zo vreemd aan alleen zijn: soms ben je alleen en is het het ergste dat er op de wereld is, en soms is het het beste. En soms is het allebei tegelijk, dat is misschien nog wel het gekste. 

Vaak vind ik alleen zijn dus helemaal niet erg, en nu is gelukkig vaak. 'Alleen' gaat goed samen met niets doen en series kijken op bed, met vroeg naar bed gaan en pindakaas eten uit de pot en sushi met je vingers, met geen sokken dragen en eigenlijk liever ook geen broek. Het gaat goed met hard meezingen met One Direction en ook met in een hoekje kruipen en jezelf een beetje zielig vinden als je te lang naar The Smiths luistert. 

Eindeloos boeken lezen in bed, en schrijven op de spiegel omdat er niemand is die dat stom vindt. 

En dan terwijl ik me bedenk hoe fijn dat allemaal is, bedenk ik me dat ik alles dat zo fijn is alleen ook gewoon kan doen met hem erbij. Want hij vindt me dus helemaal nooit stom of dom of gek, en snapt dat ik soms stil wil zijn. Eigenlijk is dat dus samen en alleen tegelijk. Alleen, maar samen omdat je elkaars hand kan vasthouden en kan knuffelen, elkaars kleding kan dragen (ik dan toch) en gewoon even op schoot kan kruipen omdat je dat graag wilt. 

En dan opeens is alleen zijn niet meer het fijnste, maar het ergste. 

13 jan 2015

Dromen

Mijn stage is fijn. Heel fijn. Meer verwachten is waarschijnlijk onrealistisch... maar ik wil zoveel meer. Ik ben ongeduldig en wil echte verantwoordelijkheid.

Nieuwe dingen doen is fijn. Maar het is fijner wanneer het een uitdaging is, blijft. Ik wilde ervaring opdoen in een goede omgeving, nu denk ik dat ik liever bij nul wil beginnen en mezelf wil leren zwemmen. Ik wil niet accepteren dat ik niets kan... het feit dat ik nooit in een functie heb gewerkt waarbij ik moest telefoneren, betekent dat dat ik het niet kan? Dat iemand het stap voor stap moet uitleggen, en dat ik het niet waard ben om betaald te krijgen? 

Ergens wil ik graag iemand (mezelf misschien wel) door elkaar rammelen en schreeuwen dat ik zoveel meer kan. Dat ik geen mensen wil bellen en schemas wil maken, geen dingen wil uitprinten en ophangen. Ik snap dat het moet gebeuren, en dat het de praktische kant is van een organisatie... maar ik wil trillen van de zenuwen omdat ik niet weet hoe en constant vooruit denken. 

Ik wil vallen en leren vliegen, maar hoe begin je aan iets groots wanneer zelfs de kleinste stappen al gigantisch voelen? 

3 jan 2015

2015

door Jonathan Cohen
Ik zit in het vliegtuig terug naar Engeland en staar uit het raam het donker in, het lichtje aan het einde van de vleugel is het enige dat ik kan zien. Het flikkerende lichtje. En de maan heel in de verte.

Wat ik zie voelt een beetje als de binnenkant van mijn hoofd. 2014 is voorbij en alles het dat het me gebracht heeft voelt zo onwerkelijk dat ik maar moeilijk kan geloven dat het mijn leven is. Voor een groot deel voelde het als een kut jaar. Van een mentale terugval tot een gebroken enkel tot kinkhoest, werkelijk waar alles leek mis te gaan.

Maar ik werd verliefd op een jongen. Hij was gebroken en had een geschiedenis waar menig boeketreeks bij zou verbleken, maar ik bleef bij hem. Hopend dat ik hem kon helpen. En hopend op hoop en misschien toch een lichtje aan het einde van zijn tunnel voor ons samen.

En nu staar ik dus uit dit vliegtuigraampje en kijk ik naar het flikkerende lichtje en de maan, en moet ik lachen ondanks het afgelopen jaar. Het is net de binnenkant van mijn hoofd. Ik voelde me zo zwart het hele jaar, maar toch is er nu een lichtje. Ik lach omdat het enige dat ik liever wilde dan al het andere mede uit alle mislukkingen voortgekomen is. Wij.

Ik hou niet van goede voornemens. Meer van veranderingen en nieuwe-beginnen. Van het afsluiten van zwarte perioden bijvoorbeeld. Het voelt goed om eindelijk afscheid te kunnen nemen van 2014.

Dit jaar heb ik geleerd wat het is om eenzaam te zijn, en hoe moeilijk het is om patronen te doorbreken. Ik heb geleerd dat yoga alles beter maakt en dat ik me altijd alleen zal voelen wanneer ik niet alleen kan zijn.

In 2015 wil ik het mezelf wat minder moeilijk maken allemaal. En wat gelukkiger zijn, met wat ik heb en met wie ik ben, dat ook.

30 dec 2014

Nergens thuis




door Dirk de Herder, via Tumblr

Ik ben nergens thuis. Niet echt.

Ik loop door Amsterdam en grinnik bij het aanzicht van de grachten, de lichtjes. De half-gezonken sloep en het zachtjes op het water deinende vuilnis doen mijn hart een sprong maken, zo ook de kat die in het raam rustig doorslaapt wanneer ik voorbij loop en het stelletje dat me passeert onder een grote blauwe paraplu en mij geen blik waardig keurt. De fietsen, de oude klinkers en gladde stoepranden en regen die zachtjes tegen mijn capuchon tikt.

Ik ben in Amsterdam; ik ben thuis.

Alleen ben ik helemaal niet thuis. Mijn huis staat in een andere stad in een ander land.

Ik zet mijn muziek iets harder en loop door. De straten van de Jordaan voelen ook in het donker vertrouwd aan en het is fijn om eens niet na elke bocht opnieuw naar de kaart op mijn telefoon te hoeven kijken. Mijn vingers blijven warmer ook.

Het is vlak na kerst en het zou vandaag gaan sneeuwen. Diep begraven in twee sjaals kijk ik naar de lucht om de regendruppels nog eens te inspecteren. Zie ik daar een vlokje? Het is ijzig koud, maar de lucht voelt niet als sneeuw. Dat voelt anders dan regen. Regen maakt lawaai en maakt de stad luider, de mensen bozer en bruusker. Sneeuw maakt juist stil. Zelfs voor sneeuw in zicht is, en het enkel hoog in de lucht zit, kan je dat al voelen vind ik.

Vanavond voelt dus niet als sneeuw, maar gewoon als regen. Ik hou van sneeuw, maar ik vind het niet erg dat het regent nu. Ik weet niet of ik gebroken was vanavond als Amsterdam ook nog eens zo wit was geweest. Het was te veel geweest denk ik. Van sneeuw word ik zo blij, en regen is toch een beetje triest. Triest is wel goed vanavond.

Mijn hart en Amsterdam en thuis, alles spint zich om elkaar heen als een kluwen wol die al lang in een tas heeft gezeten. Geen andere stad spreekt mij aan als de grachtenpanden hier, maar mijn hart hoort bij Apollo en die is hier niet.

Ik stel hem me voor diep ingepakt in truien en een grote jas en heel veel paar sokken. Met een roze gloed over zijn wangen van de kou en een verbeten gezicht, terwijl zijn spieren trillen onder het gewicht van de zandzakken en boomstronken. Ik glimlach. Mijn huis is dan misschien wel geen thuis, maar hij is dat wel. Hij is mijn huis op de spreekwoordelijke wielen, en hoe huizig een stad ook voelt, zonder Apollo is het niet mijn stad. Niet helemaal… incompleet.

Dinsdag is al bijna. Als een kind tel ik de nachtjes slapen af: zaterdag, zondag, maandag. Nog drie. En het is al avond dus eigenlijk nog maar twee dagen.

Toch vreemd. Je woont jarenlang gelukkig in een stad en dan leer je iemand kennen ergens anders en dan is het opeens geen thuis meer.